Demo examentraining biologie

Demo 4.1 Informatie

Het biologie-examen bestaat uit een boekje met ongeveer 50 vragen, een bijlage met informatie (teksten en afbeeldingen met nieuwe informatie) en een uitwerkbijlage waarop je een grafiek moet tekenen en antwoorden in kunt vullen. Tijdens het examen heb je schrijf- en tekenmateriaal nodig, een rekenmachine en je mag een woordenboek Nederlands gebruiken.

Het biologie-examen bestaat uit een aantal vaste onderwerpen en een aantal onderwerpen die variëren en die dus niet elk jaar aan de orde komen.

 

Een examen maken

Waar moet je op letten als je het examen maakt?

  • Je hebt open vragen en meerkeuzevragen. Bij de meerkeuzevragen is, tenzij het anders wordt verteld, maar één antwoord goed.
  • Als je het moeilijk vindt om meerkeuzevragen te beantwoorden, omdat je door de antwoorden in de war raakt, probeer dan de vraag eens aan te pakken als een open vraag: Dek de antwoorden af, beantwoord de vraag en kijk daarna of jouw antwoord bij de alternatieven staat.
  • Meestal twijfel je bij een meerkeuzevraag tussen twee alternatieven. Vergelijk elk alternatief met de vraag, zo blijkt meestal dat één van de alternatieven onvolledig is of er niet bij past.
  • Let bij open vragen op wat er precies gevraagd wordt, je moet vaak een antwoord geven en het antwoord uitleggen of er een berekening bij zetten. Meestal krijg je zonder die uitleg of berekening geen punten.
  • Bij vragen gaat het, tenzij anders vermeldt, om normale, gezonde organismen.

 

Een proefverslag maken

Een proefverslag bestaat uit een aantal onderdelen in een vaste volgorde:

  • Onderzoeksvraag – Wat wil je onderzoeken?
  • Hypothese – Wat verwacht je dat het resultaat van de proef is?
  • Materialen – Welke spullen heb je nodig?
  • Werkplan – Hoe pak je de proef aan?
  • Resultaat – Wat neem je waar?
  • Conclusie – Het antwoord op de onderzoeksvraag

 

Een werkplan maken

Bij het maken van een werkplan moet je een aantal regels in acht nemen:

  • Doe je onderzoek met grote aantallen. De uitslag van een proef met één resultaat is niet betrouwbaar en kan toeval zijn. Daarom is het klasseresultaat betrouwbaarder dan alleen het resultaat van de proef die jij hebt uitgevoerd.
  • Onderzoek bij een proef maar één factor! dus niet de invloed van water en licht op de groei van planten maar bv alleen de invloed van water.
  • Werk altijd met een controlegroep, die niet aan de factor die je onderzoekt wordt blootgesteld. Dus onderzoek bv een groep van 25 planten die wel een bepaalde hoeveelheid water krijgen en een groep van 25 planten die dat niet krijgt.
  • Vergelijk na afloop van het onderzoek de resultaten van de twee groepen.

 

Werken met teksten

Als je vragen krijgt over teksten en afbeeldingen in het bijlageboekje is het verstandig eerst de informatie door te lezen en daarna pas de vragen te beantwoorden. Pak het als volgt aan:

  • Bekijk elk artikel kort en schrijf op een kladblaadje met één of twee trefwoorden waar het artikel over gaat. (De titel zegt het vaak al!)
  • Lees daarna de vragen en zet bij de informatie welke vragen er bij horen.
  • Lees nu het artikel goed door en beantwoord de vraag.